zaterdag 15 april 2017

Cut Up


All the parts looked functional, but it kind of felt like getting Booster for Christmas instead of Turbo Man. He's not giving much for the crowd to work with, unless you consider confusion something to revel in. Make no mistake: this is heartfelt, romantic music that also hits you like a motherfucker. 

We're at the point of understanding where we come from, but we still let the beast speak at volume, much to the detriment of moving forward as a compassionate species. We might feel that the world is going to end, but we need to tap into the joy of being alive this very moment. 

But you can also get into patterns that aren’t as healthy… so it’s important to recognize the liquidity of your person, the fact that we can adapt and change. When you read about places like Iraq and Iran before the revolution, you understand they’re living on borrowed time, because the government is so disconnected from the people. 

The two hit it off instantly and well… let's just say them shiny, shiny boots stayed right where they were stored. So we're collecting oral stories, artifacts, doing the best we can under the circumstances and also trying to be respectful. Instead, they fumbled about like a bunch of “clumsy and oblivious foreigners”, and – more times than not – let the hilarity ensue.

woensdag 10 februari 2016

Yokocola Interview

YOKOCOLA - De gekte die vanuit zichzelf ontstaat


"Zo’n band als Suicide, waarbij de nummers worden uitgesmeerd tot een lange jam… Zo ben ik toen ook gaan schrijven. Je kunt je ogen dicht doen totdat je in een trip zit."

De meeste mensen gebruiken hun kelder als opslag voor spullen waar in de woonkamer niet genoeg ruimte voor is: wijnflessen, postzegelcollecties, oude familiefoto’s, fitnessapparaten. In huize Achmat aan de Essenburgsingel draait het godganse bestaan juist om de kelder. Sinds 2007 is het de broedplaats van YOKOCOLA’s beruchte acid punk. "Punks on acid", corrigeert zangeres Sid idiopath (Sidhi Achmat). Niemand, zowel binnen als buiten de band, lijkt het eens hoe je de muziek precies moet omschrijven. Dat is in het geval van YOKOCOLA een positieve eigenschap.

Yono Achmat wacht op het balkon op zijn dochter Sidhi, die in de keuken soep en salade aan het bereiden is. Ook kersvers slagman Kay Hessels is van de partij, druk spittend door de omvangrijke platencollectie van de Achmats. Hij legt een plaat van de Jamaicaanse reggaegroep The Congos onder de naald, geproduceerd door Lee “Scratch” Perry. “Ik ontdekte ze via Florian (Veenhuis, bassist van Rats on Rafts), supertof!”

Na een tijdje arriveert ook toetsenist Koos Driesens - tevens Yono’s zwager en Sidhi’s oom -, een fles wijn in de hand. Driesens is een echte verteller, die doorgaans geen kans onbenut laat je op de hak te nemen. Kay vertelt ondertussen trots over zijn brede interesse in bands: “Reggae, drum&bass, punk, metal, ik heb alle stijlen muziek wel een keer gespeeld.” Driesens, gortdroog: “Smartlappen heb je volgens mij nooit gedaan.”

Hessels: “Maar nu ben ik gewoon de drummer van YOKOCOLA en niks anders!”

De soep is klaar. Wanneer iedereen aan de eettafel zit, neemt Koos al gauw op de praatstoel plaats. “Vind je dat Mein Kampf te koop moet zijn in de winkel? Of moet het verboden blijven?” Een lange discussie volgt, waarbij Koos stelt dat de bijbel inhoudelijk “nog gruwelijker” is.

“Pittige soep”, constateert Hessels.

Sidhi: “Vind je?”

Koos gaat verder met zijn betoog. “Als het voorwoord wordt geschreven door een of ander G.B.J. Hiltermann-achtig figuur, iemand die politiek verantwoorde teksten uitbraakt, verandert de context. Dan vind ik dat je Mein Kampf gewoon moet kunnen kopen. Ik heb Mein Kampf zelf ook geprobeerd te lezen. Geen touw aan vast te knopen!” En de bijbel? “De bijbel vind ik wel een knap verhaal.” Kay haakt aan met het boek De Lans van het Lot, waarin Hitlers fascinatie voor Middeleeuws occultisme en rituele magie ter sprake komt. Koos: “Dat heb ik gelezen, best wel een tof boek ja.” Kay: “Wat is de connectie tussen Adolf Hitler en Jezus Christus? Spijkers?”

“Iets met spijkers op laag water zoeken”, gromt Koos. 

Sidhi: “Ja, ik proef het, de soep is inderdaad pittig! Er zit ook Thaise curry in…”

Na de soep is het tijd voor wijn en watermeloen. De incrowd van de Rotterdamse undergroundscene komt nu uitgebreid aan bod: wie speelde er ook alweer in welke band? Die ene muzikant wordt kluizenaar, de ander is een autist. “De naam van die persoon kun je beter niet in dit interview noemen”, oppert Yono op een gegeven moment. Hij kan de bands die hij inmiddels heeft versleten niet meer op een hand tellen: “N.O.A.T.H., dat was een punkband.” “Hardcore punk!”, exclameert Sidhi enthousiast. “Nou ja…”, mijmert Yono bedeesd.  

Sidhi: “Ik vond het best wel hardcore!” Ze verwijst naar de Rotterdam Spunk-compilatie, waarop een paar liedjes van N.O.A.T.H. te horen zijn.

Yono’s muzikale CV lijkt gedurende het gesprek te groeien en groeien. Niet gek, want hij beheerst meerdere instrumenten: gitaar, zang, percussie, blazers, toetsen. Naar zulke bedrevenheid is altijd vraag. Zo begint hij een garagerockbandje genaamd Under The Pavement met goede vriend Eric “Boud” Boudewijns.

Yono: “Ik heb ook nog in een tweemanscoverband gespeeld. Het was een beetje flauw. We deden covers van Roy Orbison, The Beatles, Bob Dylan. Goh… Dat is gewoon nog een band geworden.”

“De Eskimo’s, toch?”, roept Koos, terwijl hij met een gigantisch mes driftig inhakt op de meloen.

Yono: “De Eskimo’s… Nee, De Iglo’s!”  

Sidhi: “En die skaband, Monkey Manners.”

Yono: “Ook nog!” Er schiet hem nog een band te binnen: “Oh ja, fuck! Human Cannonball. Dat was met Jos en een of andere Schotse gozer op bas. En Marcel van Hi Ho Silver.”

Hi Ho Silver is de band waar Yono uiteindelijk het verst mee komt. In 1987 richt hij samen met Boud (toetsen),  Cillekens (drums), John van Dijke (gitaar) en Marcel van Dijke (bas) de band op. Ze maken caleidoscopische lo-fi popmuziek, waarin allerlei stijlen worden verwerkt: rock, avant-garde, easy listening, reggae, jazz en traditionele Indonesische muziek, puttend uit de erfenis van obscure genieën als The Residents en R. Stevie Moore. Anno 2014 is er voorzichtig sprake van een opleving van deze muziek, met acts als Sean Nicholas Savage en Connan Mockasin. In Rotterdam is die specifieke lo-fi popsound te horen bij artiesten als Niek Hilkmann en cultheld Harry Merry.

Hi Ho Silver maakt net als Merry ‘gewone’ popmuziek, met eigen voorwaarden en regels. Volgens Yono had de band niet de doelstelling bewust verwarring en vervreemding te zaaien. Yono: “Ach, wij vonden het gewoon leuk om veel stijlen te gebruiken. Daarmee probeerden we een verhaal te vertellen. Er moesten zekere contrasten in de muziek zitten. Zodra het ene nummer was afgelopen moest er iets totaal anders beginnen.”

Spijtig genoeg zijn de albums van Hi Ho Silver nergens meer officieel verkrijgbaar. Op YouTube zijn echter boeiende archiefbeelden te vinden, waaronder een filmpje waarop de band nerveus de uitslag van De Grote Prijs van Nederland afwacht. In de huiskamer dartelt een kleine Sidhi onstuimig heen en weer. Hi Ho Silver wint De Grote Prijs niet; de kans is in die tijd al klein dat een experimentele band er met de overwinning vandoor gaat. Voor de band valt het doek in 1989, maar Yono gaat vrolijk door met muziek maken. 

Yono werkt in de jaren negentig in de Plaatboef in Leiden. Na schooltijd is Sidhi hier erg vaak te vinden. Met haar muziekkennis gaat het hard: Public Image Limited, Throbbing Gristle, The Germs, Gary Numan, Basement 5, The Birthday Party en in het bijzonder Alan Vega/Suicide. Waar de meeste meisjes van die leeftijd posters van *NSYNC en de Backstreet Boys aan de muur hebben hangen, raakt Sidhi op twaalfjarige leeftijd verslingerd aan punk en andere leftfield muziek. 

Sidhi begint haar eerste bandje, The Shi-Lockers, al op veertienjarige leeftijd. Als klein meisje deed ze aan traditionele dans, dus het ritueel van het optreden kent voor haar weinig geheimen. Op het podium ontpopt ze zich tot een enigmatische frontvrouw. Ironisch genoeg zijn de doorschijnende topjes, helse oerkreten en suggestieve poses slechts een omhulsel van Sidhi's diepgewortelde, haast symbiotische nieuwsgierigheid naar outsider art

Aan de eettafel kan ze soms dolkomisch uit de hoek komen bij een serieuze uitspraak of juist heel spontaan en kluchtig iets verschrikkelijk diepzinnigs beschrijven. Ze absorbeert kunst eerder dan dat ze het creëert, haar hoofd zit continu bomvol ideeën. Onder de noemer FRAUDULEUS is Sidhi DJ, pop-upwinkelier en ontwerper. Ze excelleert in beeldende kunst, fotografie, dans en film. Via een wederzijdse vriendin krijgt ze zelfs een rol in de clip van Blaudzuns populaire single Elephants.

Van al deze creatieve opwellingen maakt Sidhi gretig gebruik in de vele bandjes waar ze mee speelt. Sidhi: “Kate & Leopolt was heel strikt, dat was meer een soort theatervoorstelling, met script.” In JC Thomasz & The Missing Slippers speelt Sidhi een tijdje bas. “We oefenden elke week dezelfde nummers, die stonden min of meer vast.” De band Swastika Sweethearts is haar eerste poging zelf de teugels in handen te nemen. Deze groep bestaat uit modellen die eigenlijk helemaal niet kunnen spelen, afgezien van Sidhi en drummer Addie Knispel.

Intussen zijn Koos en Yono samen muziek gaan maken. Koos: “De band had toen nog geen naam. We gingen gewoon muziek maken…” 

Sidhi: “…omdat er een kelder was!”

De samenwerking lijkt onvermijdelijk: net als Yono heeft Koos een flinke staat van dienst opgebouwd bij allerlei bands en projecten. Hij flankeert onder andere Theo Wesselo (bekend van televisieprogramma’s Rembo & Rembo en Purno de Purno) in zijn band Hausmagger. Driesens zingt tegelijkertijd in de band Rutecks, met gitarist Piet Legerstee (Willy Nilly) en drummer Robo Spitters (De Heren Mazuo, eigenaar van tattooshop Urban Delights). “Dat was voor mij de eerste keer dat ik vocalen deed en speelde met artiesten die wisten wat ze deden. In tegenstelling tot nu!”, dolt hij.

De  cellarsounds van YOKOCOLA (een samenvoegsel van de voornamen van Yono en Koos) beginnen als een hobbyproject: de ene dag ontstaan er complete composities, de volgende dag is het aankloten en onderbroekenlol trappen. Een onbevangen benadering, lak hebben aan de regels, herinnert Sidhi zich: “YOKOCOLA klonk toen heel anders. Koos bedacht de meeste teksten. Het was meer een soort partyband.”

Yono: “De teksten kwamen geheel spontaan.” Koos vult aan: “En bijna alles ontstond uit jams.”

Driesens suggereert dat verveling en irritatie in die tijd de katalysatoren vormen. Hierdoor wordt er in de kelder lustig op los geëxperimenteerd: “Yono en ik werkten altijd met een drummachine. Daar probeerden we dan een lekker vies effectje overheen te zetten. Door dat monotone raakte je alleen niet erg geïnspireerd; na veertig seconden muziek maken was je er al op uitgekeken. Wij freakten die beats vervolgens helemaal op met allerlei effecten. We raakten zó verveeld van die gewone boem-tsjakbeats de hele tijd.” YOKOCOLA wordt al gauw serieuzer dan het gemiddelde hobbyproject. Yono: “Als iemand bij deze muziek iets toe kan voegen, des te beter. We vonden het zo leuk dat we een echte drummer wilden.”

Komen de cellarsounds eerst nog onbevangen tot stand, plots smaken ze naar meer. Sidhi, dan nog bezig met haar Swastika Sweethearts, ziet haar kans schoon. “Ik zei tegen Addie: ‘Deze band is niks aan. Kom, ga mee naar YOKOCOLA!’ Toen heeft hij vier jaar lang met Koos, Yono en mij in de band gespeeld.” YOKOCOLA krijgt opeens een merkwaardige bezetting; de drie familieleden vormen een hechte groep muzikanten. “Als je in een band zit met je vader en je oom, dan vertrouw je op elkaar. Ik kan niet uit de band stappen, dan verlaat ik mijn familie”, lacht Sidhi. Tegen Yono en Koos: “Jullie hebben gewoon gewacht tot ik oud genoeg was!”

“Sid is zo’n geweldig talent… Die willen we er eigenlijk niet bij hebben”, blaft Koos laconiek, nippend van zijn glas wijn.

Sidhi: “Ik verveelde me altijd op dinsdagavond, dus…”

Koos: “Wij dus ook, op de dinsdagavond dan.”

Sid: “Dus ging ik naar de oefenrui… Waarom ging ik eigenlijk met jullie muziek maken?”

Koos: “We drogeerden je en droegen je naar de kelder. Nee, het was gewoon omdat je het leuk vond, Sidhi! En omdat je de ruimte kreeg - en de waardering - om te doen wat je wilde doen.”

In november 2007, vlak nadat Sidhi zich bij de band voegt, ontmoet ze kunstenaar Henri van Zanten in de Arminiuskerk. “Daar speelde zijn band, God Knows The Absence. Na afloop rende ik naar hem toe om te vertellen dat hij op Nick Cave van The Birthday Party leek. We hebben toen de hele avond gedronken en gepraat.” Van Zanten is op zijn zachtst gezegd een markant figuur. Een groot gedeelte van zijn jeugd spendeerde hij in Zuid-Afrika. Hij noemt zichzelf een omniartiest, die zich uit in stand-up comedy, film, performancekunst, theater en muziek. Van Zantens projecten zijn vaak opzienbarend: zo vertolkt hij de hoofdrol in de musical u, die in zijn geheel in Klingon-taal geschreven is en uitgevoerd wordt.

Op een avond sleept Sidhi Henri mee naar de kelder. Yono: “We waren gelijk fan van hem… Van zijn manier van optreden. Het paste ergens wel bij YOKOCOLA, maar toen werd de muziek opeens heel anders. Henri Van Zanten is een persoonlijkheid, met zoveel creativiteit en zoveel levenslust, dat je even meegesleurd wordt. Op een gegeven moment werd hij vrij onbetrouwbaar.”

Koos: “Nah, dat is het verkeerde woord.”

Sidhi: “Maar ik begrijp wat je bedoelt!”

Yono: “Dan spreek je af om te repeteren, en dan komt hij later opdagen.”

Sidhi: “Een paar uur later.”

Yono: “Op een gegeven moment dacht ik: laten we dan eerst met Sidhi werken en daarna pas kijken wat we met Henri kunnen doen. Daar kwamen vaak hele goede dingen uit. Het kwam dan vaak tot overwerken en pas stoppen als het daglicht weer te zien was.”

Sidhi: “Voordat we gingen optreden wilden we de nummers heel goed instuderen. Dan zei Henri: ‘Hallo, we oefenen toch altijd!’ Hij wilde niet repeteren.”

Ze beschrijft Henri als een “MC” en een “freestyler”, een performancekunstenaar pur sang die liever alles op basis van toeval wil laten gebeuren. “We kregen één keer de vraag van een boeker of we Henri alsjeblieft thuis willen laten.”

Koos: “Daar wil ik tegenover stellen dat Henri vaak juist het beste bij ons naar boven haalde. Je kunt wel oefenen, maar dat klinkt nooit zo goed als wanneer iets spontaan ontstaat.” Volgens Sidhi koestert Henri in die tijd een geheel eigen belevingswereld binnen de muziek van YOKOCOLA. De rest van de band tracht hier voortdurend op in te spelen. “We moesten de hele tijd oogcontact met hem hebben.” Yono: “Wanneer we twintig minuten lang stonden te jammen, werd het na een tijdje altijd Henri’s persoonlijke show.”

Van Zantens ongeremde fantasie geeft zowel Koos, Yono als Sidhi een enorme kick. Het gaat echter ten koste van hun eigen inbreng. Een dubbelzijdig zwaard: de kelder is opeens geen toevluchtsoord meer voor hun eigen muzikale ambities, maar een bastion voor allerlei lokale kunstzinnigen. Het breekpunt lijkt onvermijdelijk. Koos meent dat het van beiden kanten komt: niet alleen Henri wil de teugels zo los mogelijk in handen, de rest van de band wil dat stiekem ook.

De impressie die Van Zanten achterlaat op de Achmats is echter essentieel geweest. Dat beseft de band pas echt tijdens een show in BAR. Henri staat nog een laatste keer samen met YOKOCOLA op de planken.

Sidhi: “Dat ging helemáál niet goed!”

Yono: “Dat was niet zo’n goed idee, nee...”

Koos: “Maar dat kwam vooral omdat wij al wat gestructureerder bezig waren, terwijl hij zijn eigen modus van vroeger voortzette.” Van Zanten verkast kort daarna naar Berlijn, waar hij nog steeds woont. “Ik mis hem heel erg”, geeft Sidhi toe. “Hij is de meest gefreakte persoon die ik ken.” 

Sidhi benadrukt nogmaals dat YOKOCOLA in zijn huidige vorm veel aan Henri van Zanten te danken heeft: "Hij was zo inspirerend en zijn energie was zo sterk dat hij veel uit ons trok." Van Zanten schenkt Sidhi bovendien haar alias Sid Idiopath, een nu beruchte naam in de Rotterdamse underground. “Hij noemde mij altijd Professor Idiopath, omdat ik hem altijd hielp punkmuziek te ontdekken. Idiopath, dat slaat op ‘de gekte die vanuit zichzelf ontstaat’.”

Die gekte was altijd al sluimerend aanwezig bij Sidhi, maar nu raakt ze het nooit meer kwijt. Nog tijdens het tijdperk Van Zanten vertrekt Knispel uit de band. Zijn vervanger is Clemens Cillekens, Yono’s voormalig bandmaatje in Hi Ho Silver. In tegenstelling tot Van Zanten werkt Cillekens graag volgens het boekje. Hij beheerst zijn instrument goed, is altijd op tijd voor repetities en wil liever niet dat er in de oefenruimte gerookt wordt. Koos: “Clemens en Henri hadden niet geklikt, denk ik.”

Cillekens’ laatste show is in Winston, Amsterdam. YOKOCOLA verzorgt het voorprogramma van de legendarische postpunkband Mission Of Burma. Een vreemde show, herinnert Sidhi zich. Haar maatje Glenn Kessler valt tijdelijk in als bassist, Sidhi zelf bespeelt de gitaar. Hierdoor is haar rol als aanjager van de band lastiger te vervullen. Desondanks laat YOKOCOLA een blijvende indruk achter bij het publiek, waaronder een paar aanwezige popjournalisten. 

Het blijkt voorlopig de laatste show van de band te zijn. YOKOCOLA is een band die veel muziek tijdens jams laat ontstaan, dus de zoektocht naar een nieuwe drummer en bassist is de eerste prioriteit. Dat is het moment waarop Kay Hessels om de hoek komt kijken. Sidhi kent Kay al enige tijd, maar weet niets af van zijn drummerscapaciteiten. Kay: “Ik liep op straat met een powerball, omdat mijn arm gebroken was. Toen kwam ik Sid tegen. Ze vroeg wat ik aan het doen was. Ik zei dat ik mijn arm aan het trainen was, zodat ik snel weer zou kunnen drummen. Toen zei Sidhi: ‘Shit, ik heb een drummer nodig!’” Sidhi: “Toen vroeg ik meteen zijn nummer!”

Hessels kraakt subiet een pand aan de Bergse Linker Rottekade, om met de hele band op vol volume te kunnen repeteren. Hij ontwikkelt een hechte band met nieuwe bassist Matthijs Felix (Kopna Kopna, Kitty Fontana). Nu ze met een gloednieuwe ritmesectie kunnen jammen en ideeën kunnen uitwerken, krijgt de muziek van YOKOCOLA een totaal andere wending. De no wave-basis van weleer maakt plaats voor een zwaarder, psychedelischer geluid. Sidhi: “Een paar jaar geleden luisterde ik een jaar lang geen muziek. Ik haatte het zó erg! Opeens vond ik muziek heel saai en standaard klinken. Ik dacht: laat maar, hier word ik ongelukkig van. Maar zo’n band als Suicide, waarbij de nummers worden uitgesmeerd tot een lange jam… Zo ben ik toen ook gaan schrijven. Je kunt je ogen dicht doen totdat je in een trip zit. Alsof je eindeloos over een snelweg aan het rijden bent. Ik ben ook gefascineerd door Arabische en Indiase muziek.”

Inmiddels is het kraakpand op de Bergse Linker Rottekade ingenomen; Hessels’ bezittingen liggen nu verspreid over verschillende locaties. De repetities van YOKOCOLA vinden wederom plaats in de kelder, de plek waar het allemaal begon. Op vol volume repeteren is geen optie meer. Sidhi legt uit dat er wegens geluidsoverlast telkens goed overlegd moet worden met de buurtbewoners. 

Zelf mogen we kort een kijkje nemen in de kelder. Bij binnenkomst word je begroet door een tekening van Jezus, als transseksueel, aan het kruis genageld. Aan het plafond van de zijkamer hangt een oude pop met de bovenkant van het hoofd aan diggelen. Naast de computer staat een grote biologieposter die de anatomie van een slang toont. Op het tafeltje naast de mixtafel ligt een placemat, vol met rode wijnvlekken. Met groene stift is een songtekst op de placemat geschreven. Aan de wanden zien we een singletje van Herman Brood, enkele posters en Feyenoord-memorabilia. Langs de rechtermuur hangt een grote piratenvlag.

Deze plek is de reden dat YOKOCOLA’s muziek zo puur en authentiek voelt. Terwijl Yono zich ontfermt over de mixtafel, vertelt Koos dat hij en Yono relatief gestructureerd samen schrijven. Maar Sidhi is de maatstaf. Of, beter gezegd: de manier waarop Sidhi op de muziek reageert is de maatstaf. Hierdoor is er een gezonde balans ontstaan tussen die ‘gekte die vanuit zichzelf ontstaat’ en de meer op een vast stramien gebaseerde acid punk. Correctie: "Punks on acid!"

Koos: “We hebben het altijd maar een beetje zo genoemd. Omdat je het eigenlijk niet kunt definiëren. Maar misschien is dat alleen mijn probleem.”

Sidhi: “Punks on acid. Nieuw genre!”

Yono: “Acid kraut! Zo kun je het ook noemen.”

Koos: “Zo kun je het van alles noemen…”

Sidhi: “Ja, maar het psychedelische zit toch al in het woord acid? Toch?”

Yono: “Kraut acid… Punk? Kraut acid punk!”

Koos: “Kunnen we het niet gewoon rock-’n-roll noemen?”


© Jasper Willems

vrijdag 1 januari 2016

Balthazar - Thin Walls

REVIEW: BALTHAZAR - THIN WALLS

Best merkwaardig, het pad dat het Belgische Balthazar bewandelde om het tot bona fide headliner te schoppen. Op het debuut Applause was Balthazar nog zoekende naar eigen identiteit, weliswaar met een gedragen anthem van het kaliber Fifteen Floors op zak. Met tweede album Rats introduceerde de band spaarzaam gedoseerde arthouse-pop, uitgevoerd met onberispelijk oog voor detail. Totaal niet het soort muziek waarmee je bijvoorbeeld de Alpha-tent op Lowlands voltrekt. En tóch gebeurde precies dat. Op het derde albumThin Walls vormt de blauwdruk van Rats het fundament voor verrassende, doch vertrouwd aanvoelende klanken.
Na het beluisteren van Thin Walls is het misschien verleidelijk: zegepralend "Dit is hét meesterwerk van Balthazar" en dergelijke loftoeters uit de kast halen. De band zelf houdt het in eerste instantie wat cryptischer, zoals op bloedmooie eerste single Then What: "What if the eyes that draw you in, don't reveal anything?" Het is Balthazar zelf dus om het even. De enige toeters waar Maarten Devoldere en Jinte Deprez baat bij hebben zijn de blazers die kraakhelder in de mix geschoven worden.
Beiden het type muzikant-slash-producer dat oneindig kan kicken op de droge kickdrumsound, de akoestiek waarin een strijkersensemble maximaal kan worden uitgelicht of de incidentele aanraking van een xylofoon of triangel tussen de sporadische leegtes door. Obsessief? Arty farty? Wellicht een klein beetje. Zodra het totaalplaatje klopt is de voldoening echter groots, net zoals we de leden van Balthazar blijmoedig "wooh!" horen roepen tijdens het nummer Last Call: schemert daar toch iets van de band’s eigen genoegzaamheid door? Het zou meer dan terecht zijn.
Last Call is meteen een mooi voorbeeld waarom Balthazar zo'n verschrikkelijk goede band is geworden. Zelfs de megasterren in de popmuziek kunnen blijkbaar een melodie of riff schaamteloos jatten en daarvan de dupe worden. Gelukkig heeft Balthazar op Rats inmiddels een zodanig authentiek geluid weten te vangen dat ze nu de handen vrij hebben om invloeden van buitenaf door te filteren.
Zo horen we hier vaag de ronddolende geest van Lou Reed’s All Tomorrow's Parties; desalniettemin is Last Call net zo goed een onmiskenbaar Balthazar-liedje. Op Nightclub komt de band komt er zelfs mee weg de riff van Depeche Mode's Personal Jesus te verdraaien tot iets eigenzinnigs. Onder die bescheidenheid zijn het stijlvolle jongens met gladde babbel, het producersduo Devoldere en Deprez. Vergis je niet. Alles aan deze plaat ademt innuendo; zo doen de fraaie, bedwelmende strijkers op Dirty Love de schunnige titel pardoes vergeten.
Balthazars minutieuze werkwijze voelt bijna irrelevant, doordat ze steeds de illusie scheppen een song achteloos uit de mouw te schudden, nogmaals onderstreept door de lome praatzang van Devoldere. Het zou vergelijkbare irritatie als bij Iceage moeten opwekken, ware het niet dat de muziek zo verdomd knap in elkaar steekt. Then What vormt al een vroeg op Thin Walls een euforische piek, compleet met killer strijkersmelodie: licht vals, rudimentair en zeurderig. Doelbewust ook: als het te 'mooi' klinkt oogt het al gauw megalomaan en daar zul je de Belgen niet op betrappen.
Balthazar heeft dan wel een pot goud gevonden met het geraffineerde geluid van Rats, nog altijd blijft het liedjes schrijven an sich vol in de ontwikkeling. Wait Any Longer had zo uit de pen van Beck kunnen komen ten tijde van Mutations, waarin de Amerikaan de scheidslijn tussen 'pastiche' en 'ode' knap vervaagt. Daar slaagt Balthazar net zo makkelijk in. I Looked For You is in feite een rock-'n-rollnugget van de Buddy Holly-school, waarbij Balthazar diens bluf vertaalt tot pure begeerte.
Het is ironisch, maar juist door Balthazar’s vermogen absoluut lak te hebben aan het cool willen zijn is Thin Walls zo’n coole plaat geworden. Daarmee biedt Balthazar noodzakelijk een heerlijk tegenwicht voor bands die met opgeblazen popproducties geforceerd boven het maaiveld uit proberen te steken. Dit is een band die tijdens het luisteren verrekte eenvoudig precies de juiste knopjes weet in te drukken. Om vervolgens heel nonchalant de schouders op te halen, wetende dat zolang de muren dun genoeg zijn om de loftoeters te horen blèren, je het beste genoegzaam kunt zwijgen.
Thin Walls (PIAS) is vanaf vandaag verkrijgbaar. Op 13 mei geeft Balthazar een exclusieve clubshow in de Melkweg. Hier kun je tickets verkrijgen.

Review Liturgy - The Ark Work

REVIEW: LITURGY - THE ARK WORK

"Top tier faggotry", "pretentious twat" , "smug hipster asshole"Liturgy-frontman Hunter Hunt-Hendrix krijgt doorgaans nogal wat lasterlijke leuzen naar het hoofd gesmeten. Zijn manifest Transcendental Black Metal: A Vision Of Apocalyptic Humanism schoot bij blackmetal-puristen niet zo zuinig door het verkeerde keelgat, nu staan zij chargerend met fakkels en hooivorken achter de poorten. "Culture ought to be war", zo stelt Hunt-Hendrix pragmatisch in een interview met Pitchfork. Het nieuwste Liturgy-album The Ark Work wijkt echter nog verder van algemene waardeoordelen van de haters. Wat ons betreft verdwijnt Liturgy met dit nieuwste wapenfeit voorgoed uit het vertroebelde vaarwater van black metal, richting open zee.
Ondanks alle ophef schaart Hunt-Hendrix zijn band nog altijd koppig onder die zelfbedachte term: transcendental black metal. Overstijgende, vernieuwende muziek die tegelijkertijd dezelfde fundamentele geesteskracht van black metal aanwendt. Kan dat überhaupt wel allebei? Of moet Liturgy uiteindelijk toch een kant kiezen?
Je zou kunnen stellen dat Hunt-Hendrix bewust de trol uithangt door continu verbanden te leggen met die pittige black metal-esoterie. Is hij stiekem een beetje trots dat Liturgy zo polariserend is en daarbij het 'hipster posers uit Brooklyn'-stigma blijft behouden? Hunt-Hendrix oogt in ieder geval niet als iemand die je gauw betrapt met Murakami in de linkerhand en selfie-stick in de rechter. Noch staat hij met zijn bandleden op het podium met oogly zwart-witte make-up en hoge kisten. Liturgy is op zijn minst geen band die slechts provoceert om te kunnen provoceren. Black metal draait voor Hunt-Hendrix niet zozeer om het nihilisme, maar naar eigen zeggen om "hoop, eerlijkheid en afscheiding" (sic).
Misschien juist verstandig om al die achterhaalde stereotypen in de prullenbak te gooien. The Ark Work is muzikaaltechnisch gezien namelijk zo goed als onmogelijk te classificeren. Single Quetzalcoatl brengt een overweldigende stormvloed aan geluiden samen: aanhoudende EDM-kickdrum, zompige subbassen, glitchy electronica, spiralende gitaartremolo-gekte, monotone shamanenzang. Een complete mindfuck.
De meer metal-georienteerde schreeuwvocalen op voorgaande Liturgy-elpees zijn nergens meer te bekennen. Deze muziek toont meer raakvlakken met Swans, 65daysofstatic en Lightning Bolt, bands die door middel van abstracte, bevreemdende composities steeds weer die nieuwe overtreffende trap durven te beklimmen. Nog een veelgemaakte vergelijking is Deafheaven, de zielsverwant uit San Francisco die in 2013 het meesterwerk Sunbatherafleverde.
Zo goed en intens als dat album is The Ark Work helaas niet, al zit het devies van Liturgy wel op een dezelfde lijn. Dubbele kickdrumsalvo's, cookiemonster-impressies en meedogenloze gitaarriffs zijn ook op deze plaat geen must om ontembare natuurkrachten uit te beelden. Kel Valhaal wekt op verrassend subtiele wijze de illusie van een rijzende kilometershoge vloedgolf, door middel van herhalende machinegeweer-breaks, glockenspiel en midi-blazers de epische climax steeds weer oprekkend.
Hoewel The Ark Work qua originaliteit een hoofdprijs verdient, kan het luisteren vaker wel dan niet voelen alsof je een gigantisch smörgåsbord voorgeschoteld krijgt. Je kent het gevoel wel, dat je op het Netflix-menu oeverloos doorscrollt langs de titels, om vervolgens helemaal niets te kiezen. Dat apathische gevoel heerst ook op The Ark Work. Het zou best eens kunnen dat Hunt-Hendrix' lome sprechgesang dat gevoel ook aansterkt.
De sporadische rustpunten, zoals de orgelintro van Follow II en het instrumentale Haelegen, lijken eerder noodgedwongen dan noodzakelijk. Bijna alsof Liturgy uit zelfbehoeding de noodrem intrapt, om niet zelfdestructief a la Thelma & Louise het ravijn in te vliegen. Gelukkig voelen niet alle rustpunten zo geforceerd. Geen hoge pieken zonder diepe dalen, zeggen ze weleens. Goede muziek teert eerder op sterke contrasten dan harmonieuze eenvoud, en dat lijkt precies het streven van Liturgy te zijn.
De synth-intro van het elf minuten-durende sleutelnummer Reign Array klinkt contemplatief: alsof de irreële gedachte dat je daadwerkelijk de zwaartekracht kunt tarten eventjes bovendrijft. Vervolgens neemt Liturgy een lange aanloop in de vorm van een episch postrocksegment, gedreven door de hypersnelle burst beats van drummer Greg Fox. Dan de sprong. Éven geloof je het: de armen spreidend, al duurt het slechts een seconde. Doedelzakken worden meestal geassocieerd met rouw en soelaas, maar op Reign Array klinken ze juist triomfantelijk. Dit is transcendental black metal zoals je het had voorgesteld: het durven ontstijgen boven alle logica. Bij Reign Array komt die veelvoud aan elementen - wonderbaarlijk genoeg - ten goede. Het zou niet moeten kloppen, maar toch klopt het wél.
Dramatiek en pathos even terzijde: The Ark Work is verre van een briljant geheel. Noem het eerder een onbevreesde leap of faith naar nieuwe contreien, onachtzaam jegens de blackmetalpurist - of wie dan ook - die Hunt-Hendrix en de zijnen voor pretentieus, zelfingenomen of compleet mesjogge verklaart. De eerste persoon die claimde dat de aarde rond was, kreeg waarschijnlijk soortgelijke tegenstreving.
Treffend dat Liturgy met de albumtitel dus refereert naar het Ark van Noach, een scheppingsverhaal dat binnen zo'n beetje alle godsdiensten in verschillende vormen terugkeert. Met die wetenschap in het achterhoofd, oogt het muggenziften over transcendental black metal vs. 'traditionele' black metal en wat dan nog des te kleinzieliger. In Amerika hebben ze daar een mooie lijfspreuk op gevonden: whatever floats your boat.
Beluister The Ark Work (Thrill Jockey) hieronder via Spotify. Op 15 Juni staat Liturgy in OCCII, Amsterdam.

dinsdag 29 december 2015

OOR Review Sun Kil Moon

Harde liefde zegeviert bij Sun Kil Moon in Tivoli Vredenburg

Genre
Roots
Gepubliceerd op
Kozelek heeft het artiestenbestaan altijd met argusogen bekeken. Geliefd zijn, dat lijkt het boegbeeld van Sun Kil Moon tegenwoordig steeds moeilijker af te gaan. Tegelijkertijd behaalde Kozelek met het indrukwekkende Benji vorig jaar zijn grootste succes tot dusver. Toch blijft controverse Kozelek achtervolgen: vorig jaar was het zijn ‘vete’ met The War On Drugs, dit jaar de dubieuze opmerkingen jegens Britse muziekjournaliste Laura Snapes. Een man you love to hate dus…of juist precies andersom.
Kozelek speelt vanavond zelf af en toe de martelaar. Eerst voelt hij zich licht schuldig dat hij meerdere malen zeurt over het licht, dan maakt hij er een zelfbedachte sensatiekop van: ‘Sun Kil Moon valt lichtvrouw aan.’ Dat aantrekken en afstoten-spelletje kennen we nu inmiddels wel van Kozelek. Afgelopen november stond Sun Kil Moon met begeleidingsband eveneens strijdvaardig op de planken van Paradiso. Ieder verzoeknummertje uit de menigte werd toen lekker recalcitrant beantwoord met een heuse kerstklassieker. Kozelek riep het publiek op een gegeven moment op hem te bespugen en te bekogelen.
Je kunt aannemen dat een optreden van Sun Kil Moon net zo veranderlijk (en verraderlijk!) is als het publiek dat er voor komt. De zittende menigte in de Hertz heeft de altijd onberekenbare Kozelek misschien net iets beter in de smiezen dan de gemiddelde passant op een willekeurig zomerfestival. Dat weerhoudt Kozelek er niet van om er opnieuw een enerverend schouwspel van te maken.
Sun Kil Moon begint met een herdenking van 9/11 (vandaag veertien jaar geleden) met Nick Cave-cover The Weeping Song, waarbij Kozelek zichzelf begeleidt op een minimalistisch drumsetje bestaande uit slechts een ride en een floortom. Halverwege roept Kozelek iemand uit het publiek om hem te vergezellen als slagman. Jan Minnaard, zanger/gitarist van de Rotterdamse band Wolf In Loveland, meldt zich gretig aan. Dit leidt gedurende de set tot een aantal charmante interacties tussen de twee.
Soms is het echt een vermoeiende zit, zo’n tegenstrevende Sun Kil Moon-soloset van tweeënhalf uur. De aandacht verslapt ook regelmatig door Kozeleks sterk tekstuele inslag en zijn neiging om eindeloos te variëren met zijn flamenco-achtige tokkelspel. Benji is echter een zodanig knappe plaat dat het materiaal ook op het podium als een komeet inslaat. We krijgen vanavond een furieuze uitvoering van Dogs, maar ook pijnlijk ingetogen versies van I Can’t Live Without My Mother’s Love en Carissa.
De typische zwartgallige Kozelek-humor spreekt ook uit de titel van zijn nieuwste plaat: Universal Themes. In vergelijking tot Benji is dit Sun Kil Moon-album (inhoudelijk gezien) tamelijk ondoordringbaar.Universal Themes is in feite een rommelig geluidsdagboek, of zeg maar een verwrongen muziekvariant op SuperStreamMe. Op deze liedjes draagt Kozelek een ongefilterde aaneenschakeling van gedachtegangen en gebeurtenissen voor die live haast niet te volgen is.
Deze set blijft vanavond verstandig genoeg beperkt bij een drietal nieuwe liedjes, waarvan prijsnummer The Possum nog het meeste hout snijdt. Het liedje is natuurlijk vernoemd naar de buidelrat, een beest dat in Amerika symbool staat voor deceptie. ‘Playing possum’ is een uitdrukking die in de bokssport wordt gebruikt; het betekent dat je de strijd opgeeft om jezelf nieuw letsel te besparen… of juist om de tegenstander te foppen en te verrassen. Natuurlijk is het een wrang gegeven dat de buidelrat in Kozeleks liedje niet dood ‘speelt’, maar in feite écht de pijp uit gaat.
Gelukkig wacht deze intieme Sun Kil Moon show - ondanks Kozeleks dwarse tendensen - geen dergelijk lot. De handdoek die Kozelek aan het begin aangereikt krijgt, hoeft vanavond niet gebruikt te worden. Kozelek schopt het ding tijdens de toegift ook berustend opzij: zo’n muisstil en eerbiedig publiek maakt de strijd immers overbodig. De harde liefde zegeviert: Sun Kil Moon killed it tonight.
Door Jasper Willems / fotografie James McVey

Destroyer

DESTROYER: 'KAPUTT HAD IETS SCHUNNIGS, POISON SEASON IS RONDUIT PERVERS'


"Oh shit, here comes the sun!", roept Dan Bejar op Dream Lover, de eerste single van de nieuwe Destroyer-plaat Poison Season. Zo overvallen moet Bejar zich ook gevoeld hebben toen hij vier jaar geleden onverwachts doorbrak met de grandioze, met blazers en synths doorspekte softpopplaat Kaputt. Met opvolger Poison Season opereert Bejar meer dan ooit op het speelveld van traditionele pop. Toch blijft zijn werkwijze na tien studioalbums eigenaardig en onberekenbaar. Net zo goed voor de man zelf, en dat is volgens Bejar ook precies het punt van Destroyer.


De nu bijna 43-jarige Bejar heeft niet het voorkomen van een doorsnee muzikant. Eerder een soort verstrooide professor, met zijn hoog opgezette Einsteinhaar en oversized bruine blazer met elleboogstukken. Misschien kun je Destroyer ook zo zien: een soort grillig experiment waarbij Bejar zijn eigen verknipte versie van popmuziek schept. Bij zijn andere band The New Pornographers is hij minder creatief betrokken: per plaat drie of vier goede liedjes uit de losse pols schudden doet 'ie wel, maar zijn muzikale ambities liggen voornamelijk bij Destroyer.
Zelfs de meest opgetogen Destroyer-nummers hebben vaak een sinister randje. "Ik waan mij vaak als klein specifiek figuur op een groot canvas", stelt Bejar zelf. "Het 'snapshot' is hoofdzakelijk de vorm die ik toepas bij het schrijven van liedjes. Ik weet alleen nooit zo goed hoe ik het zelf moet verwoorden. Mensen noemen het abstracte fragmenten, maar ik vind zelf dat ik heel specifieke beelden willekeurig over de tafel strooi. Daar kan de luisteraar zelf weer dingen uit plukken. De muziek vertelt vaak het verhaal, niet per se wat ik zelf zing. Vaak is dat het omgekeerde: de zanger vertelt het verhaal en de muziek is daarbij dienend."
Bejar is een enigmatische man om te ontmoeten. Hij oogt als een eloquente, levenswijze cultuurveelvraat, terwijl zijn liedjes toch vaak een beetje onbeholpen voelen. Onbeholpen in de meest positieve zin van het woord. Een opvallend kenmerk zijn die typische rijmschema's waarbij Bejar in korte tijd woorden met dezelfde klank aan elkaar plakt. Op Midnight Meets The Rain: "I travel light towards the light/I suffered a terrible fright last night". Bejar ontkent zelf ook dat hij exact weet waar hij bij Destroyer mee bezig is. "Een liedje schrijven voelt vaak eerder alsof iemand een emmer water in mijn gezicht gooit. Het is niet iets wat ik zelf per se bedenk. Het overkomt me eerder."
Broadway op de stoep
Het tiende Destroyer-album Poison Season klinkt op het eerste gehoor als een levenslustig album bomvol grootse bandarrangementen. Bejar's krakerige tenor - je houdt ervan of niet - wordt rijkelijk omringd door blazers, fluiten, percussie en strijkers. Denk bijvoorbeeld aan Joni Mitchell's Mingus, Van Morrison's Astral Weeks, Lou Reed's Coney Island Baby en Miles Davis' Porgy and Bess. Vier platen waarbij de artiest verder uit zijn eigen comfort zone stapte. "Artist and repertoire/hand in hand", zoals Bejar ook zingt op drieluik Times Square. Lekker meta, en zo kennen we Destroyer onderhand wel.
Zo opgetogen als de muziek op Poison Season klinkt, zo ongelooflijk cynisch en miserabel zijn de songteksten van Bejar. "It's hell down here/it's hell!", foetert hij continu op de easy listening schmaltzpop van Hell, terwijl de blazers en fluiten samenzweren tot een euforisch crescendo. Dit soort scherpe contrasten lijken altijd wel ergens aanwezig bij Destroyer.
Bejar noemt nummers als Forces From Above en Dream Lover 'peptalk voor gekwelde zielen'. "Typisch Destroyer: een soort viering van hoe ziek alles wel niet is. Ik dacht om de een of andere reden veel aan ziekte en dood toen ik Dream Lover schreef. Het is in een soort trance ontstaan, binnen drie minuten stond het op papier." Hij zingt een stukje a-capella: You’re sick in bed. You’re sick in the head/You’d love a dog to play dead/You’d love a dog to play dead. "Het is best wel een oudelullensong. Als ik deze liedjes hoor, denk ik aan spionage en hele louche zaakjes. Kaputt had ook wel iets schunnigs, maar Poison Season is wat dat betreft ronduit pervers."
Volgens Bejar zijn de personages in Destroyer-liedjes over het algemeen gierig, gepassioneerd en onbetrouwbaar. Poison Season lijkt daar bijna een soort karikatuur van te maken. Op Bangkok schetst Bejar een portret van een oude schurk genaamd Sunny die met diep sentiment terugblikt op zijn roerige bestaan. Bejar: "Het is een soort perverse jazzballad uit de goot...of een Broadway-voorstelling dat zich afspeelt op de stoep. Als ik Poison Season een richting in kon sturen, zou het zoiets als dit moeten voorstellen. Maar Destroyer doet uiteindelijk wat het zelf wil...ik ben niet zijn meester."
Zonnesteek
Bejar heeft zichzelf sinds Kaputt leren aanvaarden als zanger. Frank Sinatra is hij niet bepaald, maar dat hoeft ook niet. Juist die 'amateuristische' uitvoering van stijlfiguren uit de popmuziek geeft de muziek van Destroyer zijn ongrijpbare charme. "Ik heb genoeg artiesten oudere platen horen coveren om te beseffen dat die werkwijze ook bij Destroyer doorsijpelt", geeft Bejar toe. "Voordat ik aan Kaputt ging werken, luisterde ik veel jazzmuziek. Ik dacht altijd bij mezelf: Als ik iets van Amerikaanse muziekcultuur af durf te snoepen, is het wel als een jazzzanger die toevallig zijn eigen liedjes schrijft. Maar ik ga natuurlijk niet letterlijk zeggen dat ik een jazzzanger bén, want dan mept iemand mij in het gezicht!"
Midnight Meets The Rain begint met opzwepende seventiesfunk, terwijl Bangkok halverwege met heerlijk pathetische trompetsolo uitpakt. Allebei herkenbare momenten waarvan je denkt: 'Ik weet zeker dat ik dat eerder heb gehoord.' Hetzelfde geldt voor het apocalyptische Sun In The Sky, dat sterke overeenkomsten toont met Bob Dylan's versie van That Lucky Old Sun op diens Sinatra-coverplaat Shadows In The Night.
Beide liedjes schetsen de zon - het symbool voor optimisme en geluk - in een verbitterd daglicht. Bejar: "We waren over het algemeen niet zo bezig met liedjes instuderen. Ik wist van tevoren dat de drums compleet los zouden gaan in dat couplet. Maar we deden dat bij elke take een klein beetje anders, een stuk of drie keer in totaal. Het is een erg verhalend nummer geworden met een eenvoudige structuur." Verhalend? Horen dat echt uit de mond van Dan Bejar?
"Ik weet het, ik weet het...ik heb in lange tijd geen liedje als dit geschreven!" lacht hij. "Dat gebeurt eens in de zoveel jaar. Sun In The Sky is voor mijn gevoel een onzettend rechttoe-rechtaan en helder verwoord nummer, bijna autobiografisch zelfs. Het nummer is eigenlijk heel somber en persoonlijk. Als je me écht zou kennen, zou je kunnen concluderen dat Sun In The Sky het meest persoonlijke Destroyer-liedje is van de laatste twintig jaar. Je kunt er zelfs zinnen uit plukken die direct te traceren zijn naar mijn persoonlijke leven. Dat overkomt me eigenlijk nooit. Ik noem zelfs de naam van mijn dochter (Gloria). Het laatste nummer dat zo persoonlijk voelde, schreef ik vijftien jaar geleden: Farrar, Strauss & Giroux, afkomstig van het album Streethawk: A Seduction. Zoiets is voor mijn doen op het grensvlak van psychotisch. Maar...het voelde op dat moment als een opluchting."
Geen Kaputt part deux
Ondanks het gegeven dat hij zichzelf bij elke Destroyer-plaat opnieuw uitvindt, is Bejar frequent het speelse mikpunt van popcritici. Er is zelfs een drankspelletje gemaakt waarbij al Bejar's muzikale en tekstuele tendensen vakkundig ontleed worden. Destroyer was wellicht 'meta' voordat 'meta' een dominant mechanisme binnen onze interactie met kunst werd. In grote Hollywood-blockbusters worden leven-of-doodsituaties steeds vaker ontkracht door een goed geplaatste grap om de absurditeit van de situatie aan te geven. Iconische tv-personages en stripfiguren doorbreken de vierde muur.
We zijn het door zulke films intussen zo gewend aan zulke meta-humor, dat we dergelijke easter eggs ook sneller signaleren. Misschien wordt Destroyer daardoor vanzelf een makkelijker doelwit, omdat Bejar weigert zijn muziek af te doen als leuke kitsch. Hij profileert zichzelf als kritische, serieuze artiest. Refereren naar jezelf is overigens helemaal niets nieuws in de popmuziek. The Beatles en Bob Dylan deden dat zelfs continu.
Toen Bejar Dylan twee jaar geleden live zag, vond hij zijn show 'het grootste stuk performancekunst ooit'."De fans wilden zo graag meezingen met de man, maar hij maakt het ze voor honderd procent onmogelijk. Dylan's band was trouwens waanzinnig, bijna een machine. Het voelde bijna alsof iemand specifiek aangewezen was om naar Dylan's pianovingers te kijken en de boel als een soort tolk door te vertalen naar de band toe. Want als je Dylan direct probeerde te volgen, raakte je zoek. Het was gewoon een hele vreemde happening."
Bejar zou het hier net zo goed over zichzelf kunnen hebben: een artiest die elke plaat telkens weer het canvas leeg maakt om zich van zijn luisteraars te vervreemden. Geen pleaser dus: een tweede Kaputt was dus zo goed als uitgesloten. Dat maakte hij duidelijk in een nogal nors gesprek met Pitchfork. Hij legt in dit artikel onder andere uit hoe hij de (volgens hem) twee meest toegankelijke liedjes schrapte. Nou ja: single Dream Lover is anders behoorlijk pakkend, maar dat nummer zet hij doodleuk weg als slechts een incidentele liveopname. Hij zet zichzelf gedurende het hele interview neer als een soort oude lul die alleen van oude lullenmuziek houdt en geen flauw benul heeft van wat nu hip is.
De meeste muzikanten van begin veertig zouden zo'n doorbraak als bij Kaputt zien als een soort rechtvaardiging van al het harde werken, maar Bejar behoudt resoluut zijn scepsis. Terwijl hij pragmatisch blijft onder het succes van Kaputt, is hij echter dolblij met de ontwikkeling die hij persoonlijk heeft gemaakt bij het maken van de plaat.
"Bij Kaputt stopte ik veel tendensen weg die ik voorheen aanhield. Het was voor het eerst dat ik mijn ogen kon sluiten en mij in een melodie kon verplaatsen", beargumenteert Bejar. "Voorheen maakte ik voornamelijk dissonante platen. Die oude tendensen komen enigszins terug op Poison Season, maar heel veel muziek op deze plaat is op soortgelijke manier ontstaan. In het begin was Destroyer een project waarbij ik taal uit bronnen haalde die niets te maken hadden met muziek. Uit boeken en films bijvoorbeeld. Dat vond ik toen een goede strekking voor liedjes schrijven, maar nu heb ik daar geen interesse meer in."
Veilige bubbel
Voor Bejar gaat het dus alleen om de muziek, en alles daaromheen vind hij gewoon niet zo belangrijk. Degenen die de shows rondom Kaputt bijwoonden, weten dat de Canadees sowieso niet bepaald van de poses is. Bejar oogt eerder alsof iemand hem per abuis op het podium heeft geschopt bij een dronken karaokeavond. Niet bepaald Bryan Ferry van Roxy Music, de slicke verleider in het perfecte maatpak. Noch is hij Damo Suzuki van Can, een outsider die puur wartaal uitkraamt maar wel een bijzondere mystiek vanuit gaat.
Het lijkt bijna alsof Bejar uit gêne zijn rol als zanger en bandleider mijdt, maar dat is volgens hem totaal niet zo. Intégendeel zelfs. "Ik probeer nu vooral meer betekenis te vinden in het zingen zelf, niet zozeer in de woorden die ik uitkraam. Ik beschouw mezelf nu eindelijk een muzikaal schepsel, niet iemand die daarboven of onder opereert. Het doel is altijd om boven mezelf als mens uit te stijgen. En muziek blijft voor mij de sleutel om dat te kunnen doen."
Terwijl de kunstwereld zichzelf kritisch blijft ontleden om puntjes te scoren, doet Bejar dat het liefst binnen zijn eigen veilige bubbel, onder zijn eigen voorwaarden. Wellicht is het om die reden dat zijn 'oudelullenmuziek' na twintig jaar steeds zo urgent - voor zover dat woord nog betekenis heeft - blijft klinken. "Ze noemen Shakespeare net zo goed ouderwets omdat zijn werk moeilijk te ontleden is. Maar zijn werk is juist moeilijk te ontleden omdat hij gewoon hele bizarre dingen zegt. Dat is de reden waarom hij nog steeds zo relevant is vandaag de dag. Dat is ook terecht."
Als vervreemding de werkelijke functie van zo'n Destroyer is, lijkt het plots logisch dat Bejar zo verheugend over de apocalyps zingt. Wie schept, moet tenslotte eerst vernietigen. "Ik vind het inderdaad een bijna religieus iets, dat spelen met de universele aspecten van muziek. De mythische eigenschappen van het liedje ontrafelen is voor mij de ultieme droom. En die droom vind ik het nastreven waard. Als je daar niet naartoe durft te werken, then what the fuck are you doing?"

Poison Season verschijnt 28 augustus bij Merge Records/Konkurrent. In november is Destroyer te bewonderen op Le Guess Who? Daar zijn nog kaarten voor beschikbaar.

ZEA

Arnold de Boer of The Ex and Zea interviewed
Written by Jasper Willems23 November, 2015
57

The serendipitous marvel of Zea – An interview with Arnold de Boer

Even at the age of 41, Dutch lo-fi stalwart Arnold de Boer emits this disarmingly boyish naiveté. It’s easy to assume he enjoys playing with all the toys scattered around his Amsterdam apartment just as much as his infant son. The record collection on other side of De Boer’s living room, however, reveals his worldly side. As I randomly inspect a record by an obscure Iranian beat group, he immediately insists on playing it as we begin our conversation. Arnold estimates around fifty percent of his LPs have been purchased overseas.
A pretty safe bet: in twenty years time, De Boer has done over 2000 shows in 35 countries over six different continents with his bands Zea and The Ex. Let’s spell that out: that’s roughly an average of a hundred shows per year. You’d figure after two decades of that, the first tiny cracks of world weariness would eventually start to show. Not with Arnold. He remains an unflappable optimist, a devotee of the communal power of music and performance.

<div class="player-unavailable"><h1 class="message">Er is een fout opgetreden.</h1><div class="submessage"><a href="http://www.youtube.com/watch?v=d8erEJ5t1v4" target="_blank">Bekijk deze video op www.youtube.com</a> of schakel JavaScript in als dit is uitgeschakeld in je browser.</div></div>
De Boer is currently best known as singer and guitarist of renowned punk mavericks The Ex. He replaced GW Sok back in 2009, and ever since, his whimsical songwriting smarts have permeated through The Ex’s musical DNA. De Boer’s seminal project Zea isn’t just a vehicle for imaginative new song ideas. It’s the musical manifestation of his buoyant personality.
As Zea, De Boer wields pop conventions like a chunk of Silly Putty, stretching and molding them to their utmost limits. An obvious example being his wonderfully crackpot rendition of Coldplay’s smash hit Clocks (a great live take from 2003 here – Ed). You can clearly hear the inflection of gabber house in the song’s spiraling piano motif, and Zea’s version acts upon that with demented gusto. A lot of Zea’s lyrics have these zany, almost serendipitous properties. On the fragmented The Swimming City, De Boer wonders: I expect the world to turn upside down/so everything falls into place/upside down and start again.

Arnold: “I really enjoy turning the world on its head, just to see if it still makes sense. Not just the world, but our perceptions of it as well. The kind of absurd things you usually encounter in philosophy books, but are basically made palpable in cartoons.” He mentions Moebius, Tom & Jerry and Roadrunner. Sure, we grew up as kids jeering at the futility of the coyote’s obsession to capture that fleet-footed bird. But as you get older, you learn to admire him for being so convinced of his success, even after those countless thwarted attempts.
“I’m definitely an advocate of that kind of optimism, optimism in an almost metaphysical sense. Maybe that’s why my music doesn’t really become dark or heavily drawn-out. It’s a beautiful thing when you’re able to write a song that momentarily alters someone’s perceptions.”

Smoke and curtains
Arnold grew up in the tiny Frisian village of Makkum with two sisters and a brother. His father’s side of the family ran a small fabric shop for several generations. “Curtains, floor covers, clothing, that kind of stuff. My father has installed the curtains at every residence in Makkum. When you stroll through town with him, he always tells you interesting stories about each person living there. And he knows all the measurements by heart.” Arnold and his siblings broke the generational cycle to pursue their own dreams. One sister owns an ice cream parlor, the other runs a hotel. Arnold’s brother, a teacher in didactics, converted the store into a household for his family. Though officially retired, his dad still sets up shop upstairs, because, after all, “who else knows the exact measurements of each household?”
De Boer credits his wry yet wholesomely idealistic outlook on life to his father. “My father is really like me. He always wants to rejoice in things. At family gatherings, he would prompt people to sing together. My grandfather too. He would write these really mad stories about meeting Mikhail Gorbachev on top of the Closure Dike. Often times, they’d ask him to do sermons at church in case the reverend got sick. My brother and I would bike with him across the meadows, and he always told tales about being in the resistance during the Second World War. Later, I found out through my uncle there were different versions of the same story. We didn’t know which one was true.” Arnold insists he doesn’t care. “My grandfather always gave the meaning in the story itself. A story is something you should always treasure, whether it’s true or not. There’s a reason why fables and myths still carry a lot of weight.”
In his teens, De Boer became eager to embrace some form of idealism himself. Aged sixteen, he attended a demonstration against far right wing factions Centrum Democraten and CP ‘86, spearheaded by anti-racism/fascism foundation Nederland Bekent Kleur (The Netherlands Confesses Colour). A party there who was preaching anarchism caught Arnold’s eye.
“I thought that was fascinating, the idea of this community believing in a strong set of principles. Early on I adopted a bit of that punk mentality, but not really the aggressive kind. But I wasn’t exactly going to lend you five guilders so you could buy yourself a pack of cigarettes. Back then I would immediately harangue you why smoking is unhealthy”. Arnold can laugh about it now. “I had some sanctimonious traits for sure, a very vehement sense of wrong and right. My parents probably have loads of stories about that. I would hang all these “no smoking” signs around the house. When people came to visit, they’d be incredulous and ask: What!? You cannot smoke inside!? And my parents would tell them straight-faced: ‘Nah, don’t worry, that’s just an Arnold thing’.”
Arnold’s philosophies hardened when he began studying Cultural Anthropology at the VU University in Amsterdam, a progressive school that encourages free thinking and knowledge sharing, untethered by religious or political affiliation. “I wanted to single-handedly research whether a better society was possible…an improved way of living, basically. The concept of anarchy would be my starting point.”
However, Arnold quickly found out his theories weren’t holding up compared to those of his fellow students. Most of them were older and had more experiences abroad under their belt. “I couldn’t keep drawing from slideshows or books. To find some credibility, I needed to explore the world and leave all my preconceived notions at the door.” After his first year at VU, he deliberately chose to go to Kenya, a nation that has an entirely different demographic than The Netherlands. Once he arrived, didn’t take long for De Boer to get a rude awakening. “I was a hardcore vegetarian back then. But in Kenya, they’re so grateful for your company, they would starve a day or two if it meant saving their only chicken for you. So it’s pretty ridiculous to say, ‘no thanks, I’m a vegetarian’.”

Mutuku
At the age of eighteen, Arnold’s worldview was instantly shattered to bits…and that was a big positive. In Kenya, he aided an irrigation project, digging wells for the Wakamba people in the Eastern Province. It was hard labour, and often-times quite demoralizing. “Some of the wells were over 150 feet deep, without even one drop of water to show for it. That’s when you begin to ask yourself: ‘What am I doing here? I’m just this scrawny fair-skinned teenager, totally useless for digging wells seven thousand kilometers from home.’ But you know what? It didn’t matter that I wasn’t a great well digger. Exchanging experiences and culture, learning from one another and joking around, that was the best part. The Kamba people even gave me a tribe name: Mutuku. Which means “he came at night”. Basically, I got the name because we arrived at dusk. Usually, it comes down to something as mundane as that!”
Arnold’s very first live recording plays out exactly like one of his deliciously cartoony Zea songs. He found himself at a church service in Kenya, where he was invited by locals to play some tunes. “If you want to hear music in Africa, you don’t go to concert venues like Paradiso over here. You go to church on Sunday. There will be three hours of amazing live performances, all kinds of music. It’s incredible!”

Arnold however, had yet to write his own material. Knowing only a handful of Nirvana and REM songs he rehearsed with his old school band, who didn’t go down a storm. What to do? “Fortunately I also learned this song by Lenny Kravitz called ‘Rosemary’.” De Boer promptly interrupts his story by bursting out in a loud cackle. “Wow, this is quite the confession! I taught myself to play that song because I had a crush on this girl who really liked Lenny Kravitz. (Starts singing the verse): “Rosemary your days will come/He loved you so he gave His only son.” Of course, those lyrics allude to religion, and they immediately zeroed in on that! So they asked me (puts up booming voice): ‘Can you please play this song for us at the church?'”
“They thought it was so moving, they decided to record my performance on tape. Problem is, there were virtually no empty cassettes available in Kenya. All of them were crammed with the most incredible and eclectic local music. They recorded my cover of Rosemary on top of all that. So I was like: ‘Nooo, what are you doing!? Stop!” (laughs)

Down Under
After another year of study back in The Netherlands, Arnold decided to explore the world again. This time, he headed to Australia for four months. “I just wanted to be somewhere really far away. I didn’t make enough money to make ends meet. And in Australia, it’s relatively easy to acquire a work visa to pick fruit. But when I arrived in Sydney, I made most of my money busking.”
Everyday from 10 am to 2 pm, De Boer would play covers of Nirvana, Sonic Youth and REM at the Sydney Harbour. “It was a great spot. Lots of tourists, and everyone was waiting for the ferry to take them to the Sydney Opera House or wherever. By the time I was finished, I made about ten bucks per hour. It was good money. At 2 pm however, this Aboriginal guy arrived, who played the didgeridoo. Of course, once he was there, I stopped receiving money”, Arnold laughs. “But I did jam with him once, which was a lot of fun!”

Needless to say, De Boer made the most out of his four month stay: he picked fruit and relished the outdoor activities such as deep sea diving, and bungee jumping. But at the same time, he realized he didn’t want to perform music this way again. Unlike the locals in Kenya, who responded with an unforeseen reverence to his version of ‘Rosemary’, the people of Sydney reacted in a more patronizing manner. Arnold reminisces with a chuckle: “Older ladies were the most generous givers. They were like: ‘Well, the songs are shoddy, but let’s give this winsome fellow something. Perhaps he’ll bugger off and do something else eventually!’”
Remarkably enough, this is where the seed was planted from which Zea would eventually blossom. After spending so much time by himself, De Boer had a lot of things to think about. It provided the perfect set of circumstances to start writing his own material. “Moreover, I realized it wasn’t enough for me to explore the world as a traveller. I wanted to explore the world by performing music.”

Down the middle
De Boer formed Zea in 1995 with his buddies Anton van der Kerkhof, Corina Kuiper and Michiel Verburgh, and a year later Remko Muermans joined the band as the fifth member. “In the nineties, people were talking about similar ‘clash’ that’s going on today: what’s going to be the new fad? Guitar-based music or electronic music? Me, I always loved both equally. I once attended a Speedy J show, and to me that music was in no way different from Sonic Youth. Just pure noise…it was fantastic! That’s when it hit me: I’m going to mess with electronic music and sampling, but wield my guitar and play rock ‘n roll music as well. Those two things should be able to coexist, right? There’s this song by Aphex Twin called ‘Milkman’, which is off his ‘Boy/Girl’ EP. When I heard that, I was completely blown away. It’s this pristine pop song with these madcap lyrics, with sounds scurrying all over the place.”

Zea’s fidgety bizarro pop was a hand-in-glove fit for Transformed Dreams, the now (sadly) defunct indie label ran by Marcel Hermans. From the late nineties to the mid noughties, Transformed Dreams was the hub of Dutch underground scene, working with exciting bands like Feverdream, Zoppo, Seedling and Seesaw (who would later morph into the mighty Space Siren). It was a time in Dutch music when a band’s idiosyncrasies were lionized by Dutch music outlets, instead of being treated in a condescending manner.
Many Dutch bands earning festival slots today are slick reproductions of successful international indie rock outfits, whereas Zea was still one of the prominent Dutch names playing at Lowlands in 2000. Indeed not so long ago, it was still cool to be a misfit, to continuously second guess an audience that’s always keen to compartmentalize your art. “At one point people started comparing my music to Animal Collective, so I figured I owed that band a listen. But their music is – stylistically speaking – way more polished than mine. I couldn’t really relate to that comparison. Of course, I implement a lot of electronic sounds and samples; but, simultaneously, I’m always veering towards that sheer overdrive and immediacy of rock music.”
In 2004, Zea (who’d become an electronic duo by 2002) joined The Ex on their ‘Big Convoi Tour’ through The Netherlands, Belgium and France. With their mutual love and knowledge of African music, things quickly gelled between the two bands. Three years later, The Ex-guitarist Terrie Hessels asked Arnold to perform his curated event in Ethiopia. Arnold: “Terrie figured: ‘Let’s show these Ethiopian folks how Zea produces these really strange sounds using electronic beats and guitars!’”
While fruitful collaborations continued, 2008 was a difficult year for the band Zea. Arnold’s friend and longtime collaborator Remko Muermans opted to move permanently to St. Petersburg to start a family with his girlfriend Katia, who drums in a Russian folk band called Iva Nova. They met when Zea first toured Russia, and had been seeing one another over the years that followed. Meanwhile, Transformed Dreams started to fizzle out. “I’d been extremely involved with the label from the start, setting up shows in the Red Light District and such. We were such a tight bunch. We worked our butts off. Sadly, the whole scene kind of bled out that year. (Dutch live platform) Subbacultcha was already up and running, but I didn’t really care much about them. For the first time in my life, I considered relocating somewhere outside of the Netherlands. At first I wanted to move to New York.”

Instead of moving away permanently, Arnold went back to the place where it all began: the old storage house in Makkum. He built a tiny studio in the repository of his parents’ clothing store. “When my parents managed the store, I already knew it was best to be your own boss, so you won’t have to answer to anyone but yourself. You see, my music doesn’t exist as this separate thing outside of my life. It’s completely ingrained in all my thoughts and actions”, the usually jovial De Boer states with a rare sense of urgency. And so, Zea began operating as a one man band from here on in, ‘setting up shop’ with new label Makkum Records.

Not working
Around that time, Arnold’s sister Inge had been involved in an ambitious project with Ghana’s government to introduce a bus network to that country’s infrastructure. Along with her husband, she stayed with Ken Carbonu, a local musician who showed the couple around. They met Carbonu via a Dutch priest living nearby, Joop Visser. Not long after that, Ken found out about Zea too. “Ken knew I was a musician, so he started writing these letters to me, and making all these cool CD-R compilations. He kept pushing me to come over to Ghana. So when things kind of settled down a bit in 2008, it was the perfect time to go! I taught myself to play ‘Birth of Ghana’ by Lord Kitchener, and meanwhile, Ken has this huge banner made, saying: ‘Zea and Ken Carbonu are doing a big concert in the Old Catholic Church, supporting the needy.” Here, Zea performed a heart-wrenching version of Leadbelly’s ‘Bourgeois Blues’.
It was a trip Arnold will never forget. Around the time, he first heard the music of King Ayisoba on the radio, who happens to be a national hero in Ghana. Arnold was instantly flabbergasted. “When I first heard (Ayisoba’s) music, I immediately felt there was a wider appeal to it. It’s not just me…this is music that will captivate a wide range of people. I had to do something…for the sake of music!”, De Boer jests. Now it was only a matter of getting hold of the guy.

In 2012, Arnold traveled back to Ghana to set up a studio with Carbonu and Visser. The place was quickly christened as Next To Joop, a nod to late Space Siren-guitarist Corno Zwetsloot’s Next To Jaap Studio in Voorhout. “They had a budget, but the gear was way more expensive there. But I was able to get most of what we needed from second hand outlets. So early 2012, I came over with suitcases full of junk. In the meantime I was still trying to locate King Ayisoba. After many phone calls, I finally got his producer on the line. Unfortunately King Ayisoba, who’s a big star in Africa, was in Mali at the time. But, during the final day of my stay, I was able to meet King Ayisoba face to face. I told him and his manager I was a touring musician… and I asked him to tour with me to Europe.”
It was quite an ordeal for De Boer to acquire a work visa for Ayisoba to tour Europe. The suspense was on until Arnold heard the liberating announcement from the airport monitor: ‘A call for Mr. Zea! A call for Mr. Zea! King Ayisoba is waiting for you at the information desk.’ “I was absolutely overjoyed to see him there, and we had an amazing tour together. When he witnessed DJs spinning vinyl and me buying records, he remarked: ‘The people in Europe, they like the Big Cassette. I think I also need to make a Big Cassette.’ That’s when we decided to introduce King Ayisoba as the first artist released on Makkum Records besides myself.” The wonderful ‘Wicked Leaders’ ended up as one of the final records made at Next To Jaap, not long before Corno Zwetsloot tragically succumbed to cancer.

<div class="player-unavailable"><h1 class="message">Er is een fout opgetreden.</h1><div class="submessage"><a href="http://www.youtube.com/watch?v=h9qg7uRKps8" target="_blank">Bekijk deze video op www.youtube.com</a> of schakel JavaScript in als dit is uitgeschakeld in je browser.</div></div>
On a more uplifting note, Arnold has successfully branched out King Ayisoba’s enthralling African blues onto European soil. At this moment, King Ayisoba has done over 130 live shows across all of Europe, even performing at festivals like Roskilde. In 2014, Ayisoba returned the favour by inviting Zea to play at the launch of his new V-CD ‘Kologo High Spirit’ in Kumasi. “I was there to arrange the work visa for our next tour, but Ayisoba insisted it was my turn to play.”
This footage of Zea playing ‘Song For Electricity’ might seem quite puzzling at first, especially to people exclusively familiar with the Western hierarchy of concerts. As Arnold performs, people run up to him, shower him with money bills and whispering things in his ear. “It’s extremely normal for people to stick a paper bill to your forehead if you’re entertaining enough. It naturally becomes this free-form call and response thing, where people start whispering something in your ear for you to sing about. It could be someone’s birthday, or anything basically. And if you improvise well enough, they’ll stuff money in your pockets or in your guitar. Well, anywhere they can, really!”

“At that particular show, all the ‘chiefs’ were sitting behind me on the stage”, De Boer continues. “They were sending these errand boys to exchange large bills for a set of smaller ones. If they enjoy the show, it’s not just a matter of sticking one or two bills against your head. No, they completely shower you with bills! It’s not just their way of showing appreciation for you, but a playful display of their personal wealth as well.”
So once again, Arnold de Boer found himself in a similarly strange but fortuitous position as the day he performed ‘Rosemary’ in Kenya. In front of a crowd of 2000 people no less, which is large even by The Ex’s standards, he magics his own brand of chaos into an impromptu moment of happiness. Moreover, Arnold de Boer never started music with dreams of bright stadium lights or flashy magazine covers. He dived into it – heedlessly – because of an inherent curiosity about the world he inhabits, not as a simple means to an end. Surely, the irony wasn’t lost on him when all those bills were sprinkled on top of his head.
Arnold: “King Ayisoba asked me to specifically play ‘Song For Electricity’, because everyone in Ghana is so smitten by that song! During that previous visit to Ghana, that song made the airwaves, because I has played it on six stations and on national tv. It’s really common for the power to go out in Ghana, so when the people there hear ‘Song For Electricity’ they’re like: ‘That’s our song!’ So I guess everything did fall into place. There are still radio stations in Ghana that play the song every time the power goes out!”